Zo'n vijftig jaar geleden had ieder huishouden een Toddezak, een zak waar alle afgedankte kleren, restlapjes van de naaister, gordijnen en beddengoed in terecht kwam. Oud textiel werd niet zomaar weggegooid, dat kreeg nog vaak een tweede, zo niet een derde leven.

De Toddezak bij ons thuis was gemaakt van een oud overgordijn en lag op zolder vlak naast het zolderluik zodat je erbij kon, staande op de vlizotrap als je een lapje nodig had voor het verstellen (oètstukkere) van kapotte of versleten kleren. Maar er werden ook inktlapjes, knikkerzakken, schottelsletter, en poppenjurkjes van vervaardigd. Allemaal uit de Toddezak. Maar ook de allerlaatste onbruikbare resten werden niet zomaar weggegooid...

Een keer per jaar, in de periode van de grote poets, kwam d'n Toddekèl. Zomaar op een dag stond hij om twaalf uur voor de lagere school met zijn bakfiets. Zijn houten laadbak had twee kleppen, een aan de linkerzijde met allemaal snuisterijen zoals je die op kermis ook wel kon winnen met ballengooien of in de schiettent: kleurige windmolentjes, knuffels, potloden met gummetje en zo. De andere kant was de opslag voor de todden die hij doorverkocht aan de papierfabriek die het katoen en linnen eruit sorteerde en verwerkte tot geschept papier, en de wollen kleding werd verwerkt tot vilt.

Wij renden dan schreeuwend naar huis: "D'n toddekèl... d'n toddekèl is er!!" Wij waren met meerdere kinderen thuis, dus maakte mijn moeder een aantal hoopjes van de todden zodat we allemaal aanspraak konden maken op een van de lokkertjes uit de bakfiets van d'n toddekèl.

Dan stonden we in de rij bij de bakfiets waar de voddenman alle voddenhoopjes afwoog aan een weeghaak om de waarde van het geschenk te bepalen. Er waren kinderen die een van de grotere artikelen buit maakte door te komen met een zware toddezak, maar ik heb het nooit verder geschopt dan een plastic windmolentje...

José Vercoulen